overzicht

Zakelijk Engels schrijven: woordsoorten

Leer Engelse woordsoorten, woordgroepen en zinnen.

Wil je beter zakelijk Engels leren schrijven? Dan moet je mij wel kunnen volgen. Daarom beginnen we met Engelse taalbegrippen. Denk aan begrijpend lezen op de basisschool: wanneer je leest om te leren, moet je begrijpen wat je leest.

De inhoud

Ontdek de 9 Engelse woordsoorten in dit eerste bericht. In het tweede lees je meer over woordgroepen en zinnen. 

In het kort

1. Words

Het Engels kent 9 woordsoorten: nouns, pronouns, verbs, adverbs, adjectives, articles, prepositions, conjunctions en interjections.

Woorden kunnen, afhankelijk van hun functie in de zin, meerdere woordsoorten vormen.

Denk aan: ‘ik vraag je lief’ en ‘ik snap de vraag niet’. Hier is het woord ‘vraag’ eerst een werkwoord en daarna een zelfstandig naamwoord.

2. Phrases

Phrases zijn groepjes woorden in een zin. Deze woorden vormen samen een betekenis. In een phrase vind je géén onderwerp of werkwoord.

3. Clauses

Clauses zijn ook woordgroepen die samen een betekenis vormen. Maar in een clause zit wel een onderwerp en werkwoord.

4. Sentences

Een sentence of zin is een groep woorden die samen een complete gedachte vormt: altijd met onderwerp en werkwoord.

Ok, let's dive into it!

1. Words

Er zijn 9 soorten Engelse woorden. Die noemen Engelsen: the parts of speech. Engelse woordsoorten komen sterk overeen met de woordsoorten die wij kennen . Dat komt omdat de Nederlandse en Engelse taal afstammen van dezelfde Germaanse taal. Maar dat is een ander verhaal .

We bespreken de Engelse woordsoorten stap voor stap. In het lijstje hieronder geef ik alvast de Nederlandse tegenhanger.  

Noun ⇨ zelfstandig naamwoord
Pronoun ⇨ voornaamwoord
Verb ⇨ werkwoord
Adverb ⇨ bijwoord
Adjective ⇨ bijvoeglijk naamwoord
Article ⇨ lidwoord
Preposition ⇨ voorzetsel
Conjunction ⇨ voegwoord
Interjection ⇨ tussenwerpsel

Simpele illustratie vrouw in water

#1 Nouns

Woorden die een persoon, plaats, ding of idee omschrijven, noemen Engelsen nouns. 

Het woord professionals bijvoorbeeld, is een noun omdat het personen omschrijft (die een vakmanschap bezitten).

Professionals read.

In het Engels heb je proper- en common nouns

Een proper noun beschrijft een specifiek persoon, plaats of ding. Deze ‘eigennaam’ schrijf je altijd met een hoofdletterDenk aan Einstein en Eindhoven. Maar ook aan Friday, September en Christmas

Alle andere nouns zijn (onbepaalde of  algemene) common nouns.

Common nouns die je kunt tellen, heten count nouns. Ze staan in enkelvoud of meervoud. Ook kun je er a of an voor plaatsen:

idea, teacher, book.

Noncount nouns beschrijven dingen die je niet kunt tellen. Ze zijn nooit meervoud en je kan er geen a of an voor zetten:

oxygen, sunshine, information

En dan heb je nog gerunds. Dit zijn werkwoorden die eindigen op -ing en worden gebruikt als noun

Swimming is good exercise.
I enjoy cooking.

Proper nouns beschrijven een specifiek persoon, plaats of ding. Deze ‘eigennamen’ schrijf je altijd met hoofdletter. Denk aan Einstein en Eindhoven. Maar ook aan Friday, September en Christmas! Alle andere niet-specifiek of onbepaalde nouns, noemen Engelsen common nouns. De common nouns die je kunt tellen, heten count nouns. Ze staan in enkelvoud of meervoud. Ook kun je er a of an voor plaatsen. Denk aan: idea, teacher, book. Noncount nouns beschrijven dingen die je niet kunt tellen. Ze zijn nooit meervoud en je kan er geen a of an voor zetten. Denk aan: oxygen, sunshine, information. Tenslotte heb je nog gerunds. Dit zijn werkwoorden die eindigen op -ing en worden gebruikt als noun. Bijvoorbeeld: Swimming is good exercise. I enjoy cooking.

#2 Pronouns

Pronouns zijn woorden die nouns of noun phrases vervangen. Ze verwijzen naar een zelfstandigheid. Er zijn 8 soorten pronouns

The professionals   They read.
Personal pronouns
I, me, you, he, him, she, her, it, we, us, they, them.
Possesive pronouns
my, mine, your, yours, her, hers, his, its, our, their, theirs.
Demonstrative pronouns
this, that, these, those. 
Interrogative pronouns
who, whom, whose, which, what.
Relative pronouns
who, whom, whose, which, that.
Indefinite pronouns
all, another, any, anyone, anybody, anything, both, each, either, everybody, everyone, everything, few, many, neither, nobody, none, no one, nothing, one, several, some, somebody, someone, something.
Reflexive pronouns
myself, yourself, himself, herself, itself, ourselves, yourselves, themselves.
Reciprocal pronouns
each other, one another.
Klik Hier
Previous
Next

#3 Verbs

Wil je beter zakelijk Engels leren schrijven? Dan moet je mij wel kunnen volgen. Daarom beginnen we met Engelse taalbegrippen.

Denk aan begrijpend lezen op de basisschool: wanneer je leest om te leren, moet je begrijpen wat je leest.

Een verb is een woord dat een handeling, situatie of proces beschrijft. Denk aan onze werkwoorden. 

Professionals  read.

Een zin kan meerdere verbs bevatten. Maar elke zin heeft minstens één main verb, of hoofdwerkwoord. De andere werkwoorden – helping verbs – geven deze main verb meer betekenis.

Writing en fishing zijn main verbs. Zij dragen de hoofdbetekenis van de zin: 

was writing.
should have been fishing. 

Engelse verbs veranderen van vorm als je ze vervoegt. Net als onze werkwoorden. 

De 5 vervoegingen van een Engels werkwoord noemen zij ‘the principal parts of verbs’:

The base formwrite, fish
The S-formwrites, fishes
The past tensewrote, fished
The past participlewritten, fished
The present participle (-ing form)writing, fishing
Regular verbs kun je met simpele regels in de verleden tijd zetten (met -d of -ed). Wij noemen dit regelmatige werkwoorden. Irregular verbs zijn onregelmatige werkwoorden: ze krijgen een unieke vorm in de verleden tijd. Deze lijst vervoegingen moet je dus uit je hoofd leren.

Verbs kunnen transitive en intransitive zijn. Dat betekent overgankelijk en onovergankelijk.

In tegenstelling tot intransitive verbs, hebben transitive verbs een [direct object]. Dit is een noun of pronoun die de actie ondergaat. 

I love [you]. 
They bought [a small boat].
She cycled home and studied for another hour. 

Een linking verb koppelt het onderwerp van de zin aan een toevoeging. Deze aanvulling kan 1) een noun zijn die het onderwerp hernoemt of 2) een adjective die het onderwerp omschrijft. Bijvoorbeeld: 

1) Dolphins are social animals. 
2) Your music sounds awesome.

Dit noemen we in Nederland een koppelwerkwoord. Het meest voorkomende Engelse koppelwerkwoord is be. De andere zijn: feel, look, smell, sound, taste, become, remain, seem.

Tot slot zit een verb soms verstopt in een contraction, of samentrekking:

I’m = I am
She’d = She had  OF she would
You’ve = You have

In zakelijk Engels gebruiken we geen contractions. We schrijven het werkwoord voluit.

#4 Adjectives

Adjectives geven meer informatie over nouns en pronouns: ze veranderen of specificeren de informatie die een noun geeft. Wij noemen adjectives: bijvoeglijke naamwoorden.  

Smart Young Dutch professionals read.

Je zou kunnen zeggen ‘they are smart’. Hierbij wordt de personal pronoun they, met de linking verb are, verder omschreven of gespecificeerd als smart. De adjective benoemt een kenmerk van de noun.

Pronouns, nouns en ‘verbs eindigend op -ing en -ed’, kunnen adjectives zijn. Denk aan: my lesson, pet store of a sleeping lady.

Adjectives kunnen na een linking verb komen. En horen vaak bij een preposition, zie #6.

#5 Articles

De 3 adjectives die nouns specifiek of niet-specifiek maken, heten articles. Wij hebben hier ook 3 woordjes voor: de, het of een. Engelsen gebruiken a, an of the

The A professional reads.

Indefinite en definite articles

A en an zijn indefinite articles. Ze maken een noun niet-specifiek of onbepaald. Als je a of an gebruikt, dan praat je over een noun of pronoun in het algemeen.

The is de definite article. Gebruik deze als je over iets of iemand ‘in het bijzonder’ praat.

#6 Prepositions

Prepositions zijn woorden die relaties aangeven in bijvoorbeeld richting, tijd, plek en bezit. Wij noemen dit voorzetsels. 

Professionals read about because of with curiousity

Een preposition komt vaak voor met een noun. Maar soms ook met adjectives of verbs.

Er bestaan veel vaste adjective + preposition-combinaties, bijvoorbeeld: amazed by, crazy about of grateful for.

#7 Adverbs

We zijn er bijna. Adverbs geven meer informatie over verbs, adjectives en andere adverbs. Het zijn bijwoorden.

Professionals read easily carefully fast twice often very well therefore..

Verwar adverbs niet met adjectives. Die geven meer informatie over nouns en pronouns

#8 Conjunctions

Conjunctions zijn voegwoorden. Ze verbinden woorden en woordgroepen. Daarbij geven ze een relatie aan.

Professionals read and write.

Coordinating conjunctions verbinden twee of meer dezelfde woordsoorten. Het zijn de woordjes for, and, nor, but, or, yet en so

Correlative conjunctions verbinden twee woorden van dezelfde soort: both a and b, neither a nor b, either a or b, whether a or b, not only a but also b

Een subordinating conjunction geeft de relatie aan met de rest van de zin en is het eerste woord in een afhankelijke clause. Bijvoorbeeld after, although, when. 

Conjunctive adverbs zijn adverbs die zich gedragen als conjunctions en een relatie tussen onafhankelijke clauses aangeven. Denk aan besides, moreover, instead. Hierover later meer.

#9 Interjections

Strong interjections met een uitroepteken of weak interjections met een komma, zijn woorden of woordgroepen die verbazing of emotie laten zien.

Whut! Professionals read

Zo.  Tijd voor een kop koffie, een blik uit het raam en een korte recap (samenvatting).

Wat weten we nu van Engelse woordsoorten?

Je weet nu dat nouns en pronouns een zelfstandigheid omschrijven. Adjectives geven meer informatie over deze nouns en pronouns. De 3 adjectives die ze bepaald of onbepaald maken heten articles

Verbs beschrijven een handeling, situatie of proces. Adverbs geven meer informatie over verbs

Conjunctions verbinden woorden en woordgroepen. Ze geven net als prepositions een relatie aan tussen woorden. Tot slot, beschrijven interjections een emotie.

Vergeet niet dat je proper nouns met een hoofdletter schrijft. Lees meer over de woordsoorten in het derde deel: Grammatica.

In het volgende bericht lees je meer over phrases, clauses en sentences. Dit zijn Engelse woordgroepen en zinnen. 

Wave Content gebruikt alleen cookies om de website te verbeteren.